Squash
Tafeltennis
Tennis
Competentie toetsen
Studiedagen
Extra info

Ad. 1 Motieven
Motieven om te badmintonnen spelen een belangrijke rol bij badminton en zijn een voorbeeld van een oorzaak van verschillen in gedrag en speelwijze. Sommigen leerlingen hebben minder waardering voor winnen en verliezen en spelen liever met elkaar, waarbij de shuttle in het spel houden het doel is .
Veel kinderen kennen het spel van de straat en de camping. Daar gaat het vooral om de shuttle in het spel houden (shuttelen). De lol van het spelletje zit hem in het hooghouden. Het is dan een vorm van jongleren.
Bij sparren is nog steeds het hooghouden het doel, maar als extra moeilijkheid moet de tegenstander nu wel enigszins uitgedaagd worden. De shuttle moet met opzet naast, voor of achter de partner gespeeld worden, zodat die enige moeite moet doen om de shuttle te retourneren. Je kunt het initiatief bij één speler leggen of bij twee (zie ad.2). De uitdaging mag niet zover gaan, dat het de bedoeling wordt dat de partner de shuttle niet meer kan halen. Is dat wel het geval dat gaat sparren over in een wedstrijd. Ter verduidelijking drie voorbeeldsituaties.
Voorbeeld situatie 1 :
Thema: Spel van achteruit met de bedoeling om op te bouwen (tegenstander kan met moeite terug spelen)
KERNACTIVITEIT:
Arrangement : een langnet over de breedte van de zaal, 8 veldjes (12m bij 2,75m), 16 badmintonrackets en 8 shuttles en een lijn gemaakt van stukjes schilderstape of getrokken met krijt.
Opdracht : De leerlingen sparren op kleine veldjes en proberen door diep en ondiep te spelen elkaar uit positie te spelen. De veldjes zijn verdeeld in twee zones, waar een van de twee leerlingen afwisselend in moet spelen (de bad-guy) en de ander plaatst elke shuttle in het achterveld (good-guy). Eerst is het initiatief bij één speler (bad-guy) en daarna is het initiatief bij beide spelers (beide zijn bad-guy).
Voorbeeld situatie 2 :
Thema: Spel van achteruit met de bedoeling om op te bouwen (tegenstander kan met moeite terug spelen)
KERNACTIVITEIT:
Arrangement : een langnet over de breedte van de zaal, 8 veldjes (12m bij 2,75m), 16 badmintonrackets en 8 shuttles een vierkant gemaakt van schilderstape of getrokken met krijt.
Opdracht : Sparren. De badguy moet proberen de goodguy uit het vierkant te spelen.
Eerst is het initiatief bij één speler (bad-guy) en daarna is het initiatief bij beide spelers (beide zijn bad-guy).

Voorbeeld situatie 3 :
Thema : Spelen van achteruit met de bedoeling om op te bouwen (tegenspeler kan met moeite terug spelen) en uit te lokken (tegenspeler wordt uit gedaagd om iets te doen waar bij niet goed in is, in dit geval het slaan van een bh-clear).
KERNACTIVITEIT:
Arrangement : een langnet over de breedte van de zaal, 8 veldjes (12m bij 4,5m), 16 badmintonrackets en 8 shuttles en 2 stroken gemaakt van stukjes schilderstape of getrokken met krijt.
Opdracht : De leerlingen sparren op veldjes met drie stroken, een midden strook en twee zijstroken. De badguy speelt met de fh-clear links of rechts. De goodguy probeert de shuttle terug te slaan naar het middenvak van de aanvaller.

Met name door de manier van begeleiden van de spelactiviteit laat je als docent merken waar het je om gaat. Waar kom je op in? Waar leg je het spel voor stil? Wat wijs je aan als goed? Als je steeds nauwkeurig de stand bij laat houden en informeert naar wie er gewonnen heeft, dan zal de opmerking dat het niet om de knikkers maar om het spel gaat, niet overkomen.